Platform over productie- en procesautomatisering
‘Meten is weten’ wordt ‘meten is beheren’
In de praktijk wordt het verschil tussen een ‘goede’ en een ‘betrouwbare’ meting vaak gemaakt door installatie, bedrijfscondities, drift en onderhoud.

‘Meten is weten’ wordt ‘meten is beheren’

Diepgaande kijk op instrumentatie, diagnostiek en control

Meet- en regeltechniek is al lang geen eiland meer in de fabriek. De kwaliteit van één flowmeter of temperatuursensor blijft belangrijk, maar de échte performance ontstaat pas wanneer meetketen, communicatie, diagnose en regelstrategie als één systeem worden bekeken.

In tijden van krappe marges en hogere compliance-eisen verschuift het gesprek van ‘hoe nauwkeurig is mijn meting?’ naar ‘hoe robuust is mijn meting én wat doet die met mijn proces, energie en stilstand?’

‘Meten is weten’ wordt ‘meten is beheren’ 1
Devices, field switches en ecosysteemondersteuning worden breder beschikbaar.

Onzekerheid is een ontwerpparameter

In de praktijk wordt het verschil tussen een ‘goede’ en ‘betrouwbare’ meting vaak gemaakt door installatie, bedrijfscondities, drift en onderhoud. Niet door het datablad. Standaarden rond flowmeting zoals ISO 5167-1:2022 leggen expliciet de nadruk op installatie-eisen en het bepalen van meetonzekerheid voor differen­tiaaldruk debietmeters (orifice, nozzle, Venturi). Voor engineers is dat een nuttige reminder: als de onzekerheid van de meting niet past bij de procesdoelen (kwaliteit, rendementsmeting, massabalans), dan is ‘meer PID-tuning’ zelden de oplossing. In plaats daarvan moet de meetstrategie (locatie, conditionering, rechtstand, impulsleidingen, validatie) herbekeken worden.

Diagnose moet uniform en actiegericht worden

De opmars van slimme transmitters, positioners en analysers heeft één neveneffect: een overvloed aan device-specifieke foutcodes. NAMUR NE107 pakt dat aan door diagnostiek te normaliseren naar vier statuscategorieën (Failure, Function Check, Out of Specification, Maintenance Request). NAMUR herzag NE107 recent (2025), wat het belang van uniforme statusmeldingen en onderhoudsworkflows alleen maar versterkt.

Dit is niet zomaar ‘mooie HMI-iconografie’. Het maakt het mogelijk om alarmen en onderhoudswerkstromen op te zetten die schaalbaar blijven. Zeker in plants met gemengde merken. Bovendien zie je NE107 steeds vaker terug­keren in praktische device-toepassingen, zoals kleppositioners die hun conditieberichten expliciet volgens NE107 classificeren.

Van 4–20 mA naar Ethernet tot in Zone 0

Waar meet- en regeltechniek traditioneel leunde op 4–20 mA en veldbussen, verschuift het speelveld naar Ethernet tot in het veld. Ethernet-APL positioneert zich als een robuuste, tweedraads, loop-powered Ethernet-physical layer gebaseerd op 10BASE-T1L, bedoeld voor de zware omstandigheden (en ook hazardous areas) van procesinstallaties. Belangrijk: Ethernet-APL zit steeds vaker voorbij de pilotfase; devices, field switches en ecosysteem­ondersteuning worden breder beschikbaar.

De belofte is aantrekkelijk: één consistent netwerkconcept dat engineering, commissioning en troubleshooting vereenvoudigt en tegelijk meer diagnostiek ‘uit het device’ haalt. Maar de implementatie vraagt discipline: segmentatie, asset management en afspraken over datamodellen/semantic layers worden plots even belangrijk als de kabelkeuze. Ook in discrete omgevingen zie je dezelfde beweging: meer Ethernet tot aan I/O, meer diagnose en meer dataconsistentie.

Naast bekabeld Ethernet blijft draadloos relevant, zeker waar aanleg duur of technisch lastig is. WirelessHART (IEC 62591:2016) wordt daarbij vaak beschreven als een zelforganiserend netwerk dat obstakels in de procesomgeving kan opvangen en zowel proces- als device-informatie veilig doorgeeft. De beste keuze is zelden ideologisch (‘bekabeling is beter’): het gaat om bereik, latency, onderhoudbaarheid en vooral: welke metingen zijn kritisch voor closed-loop control, en welke voor monitoring/diagnose?

Data moet bruikbaar blijven

De volgende stap in meet- en regeltechniek is niet nóg een protocol, maar interoperabel datagebruik. De OPC Foundation publiceerde de OPC UA Field eXchange (UAFX)-specificaties, bedoeld voor uitwisseling van proces- en configuratiedata tussen automatiseringscomponenten met OPC UA Client/Server en PubSub. UAFX bestaat uit meerdere delen (o.a. Parts 80–83) die Field eXchange en engineering/uitwisseling concreet maken. Voor instrumentatie- en automationteams is de relevantie duidelijk: minder ‘vendor-lock’ op device-integratie en meer kans om diagnose, configuratie en proceswaarden uniform te ontsluiten – mits leveranciers én gebruikers het consequent adopteren.    

PID blijft het werkpaard

Ondanks alle buzzwords blijft PID de basis. Het verschil wordt gemaakt door controller performance structureel te bewaken. ISA publiceert bijvoorbeeld technische richtlijnen rond PID-algoritmes, implementaties en performantie­metrics (ISA-TR5.9). In de praktijk vertaalt ‘loopkwaliteit’ zich naar minder oscillaties, minder energieverspilling en minder slijtage op eindorganen. Tools en methodes rond control loop performance monitoring (CPM) worden daarom vaker ingezet om slechte afregeling, klepstiction, sensorruis of verkeerde filterkeuzes systematisch te detecteren. Overzichten en studies tonen hoe CPM/diagnose een eigen discipline wordt binnen procesoptimalisatie.

Vooral interessant waar constraints geld kosten

Waar processen sterk gekoppeld zijn en dicht tegen grenzen draaien (capaciteit, emissies, productkwaliteit), komt Model Predictive Control (MPC) snel in beeld. Vendor-literatuur vat het voordeel vaak samen als: dichter op constraints sturen met lagere energie- en grondstofkosten. Academische perspectieven benadrukken tegelijk dat de toekomst van procesregeling verschuift naar grotere schaal, meer diagnostiek en modelgebaseerde én data-gedreven technieken. Maar… implementatie valt of staat met data­kwaliteit en organisatorische inbedding. Kort gezegd: MPC is geen ‘magische controller’, maar een project waarin meetkwaliteit, modelonderhoud en proces­kennis samenkomen.

SIS is geen ‘extra alarm’

In veel plants lopen basic process control en safety door elkaar in discussies over instrumentatie. Toch is het belangrijk het onderscheid scherp te houden: IEC 61511-1:2016 beschrijft eisen voor specificatie, ontwerp, installatie, operatie en onderhoud van Safety Instrumented Systems (SIS) in de procesindustrie, zodat ze betrouwbaar een veilige toestand kunnen bereiken of behouden. IEC 61511-1 (2016, incl. amendementen) blijft daarbij de kernreferentie; in 2025 publiceerde de IEC ook een geactualiseerde ‘series’ bundeling van de 61511-documenten. Voor meet- en regelteams betekent dit: elke ‘slimme’ optimalisatie (extra metingen, andere ranges, filtering, softwarematige plausibiliteitschecks) moet bekeken worden in functie van de safety-lifecycle. Zeker wanneer één transmitter zowel voor control als safety-instrumented functies wordt gebruikt.

Zonder metrologische basis geen digitalisering

Tot slot: hoe meer digitaal je wordt, hoe pijn­lijker ‘drift’ kan worden. ISO wijst erop dat ISO/IEC 17025 het referentiekader is voor competente test- en kalibratielabs en betrouwbare resultaten. Dat is relevant voor de industrie omdat traceerbaarheid en onzekerheid niet alleen QA-boxjes zijn: ze bepalen of je trending, massabalansen of energie-KPI’s überhaupt mag vertrouwen. 

Gerelateerde artikelen

"*" geeft vereiste velden aan

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.

Stuur ons een bericht

Wij gebruiken cookies. Daarmee analyseren we het gebruik van de website en verbeteren we het gebruiksgemak.

Details

Kunnen we je helpen met zoeken?

Bekijk alle resultaten